Toepassing in de tuin

Historie van soorten voor de tuin

De eerste introducties in Europa zijn terug te traceren naar het einde van de achttiende eeuw. In 1789 werd op Lee's nursery in Hammersmith al de K. sarmentosa , K. uvaria en K. pumila gekweekt. In de decennia erna verschoof de aandacht naar grovere soorten.

In 1896 waren in Zuid-Afrika 35 species bekend. Vlak daarvoor had de Duitse kweker Max Leichtlin uit Baden Baden belangstelling voor het gewas gekregen en importeerde zaden en planten uit Zuid-Afrika. Hij introduceerde ook een aantal spectaculaire hybriden zoals Star of Baden Baden (nog steeds leverbaar), Obelisk, Ophir, Osiris ( AGM 1893). De Star of Baden Baden is een zeer massieve plant, feitelijk uitsluitend geschikt voor grote tuinen.

Begin 1900 was het aanbod al zeer divers. Een artikel in de Gardeners' Chronicle in 1906 (Vol. 39) suggereert dat er al een groot scala aan vuurpijlen leverbaar is:

"Kniphofia's [...] can now be had in many fascinating shades of colour of yellow, apricot, coral, red and crimson , either self-coloured or in two or three contrasting shades peculiar to the group [...] They vary from slender, multi-flowered, grassy tufts ab foot in height [...] to noble plants [...] which have a grand effect in large borders and in de garden landscape."

Gold Else is een kleine en vroeg bloeiende vuurpijl uit die periode, en nog steeds gekweekt (waarschijnlijk K. pauciflora x K. citrina ). Begin 1900 waren meerdere kwekers bezig, ook in Nederland zoals Krelage uit Haarlem. Hij kweekte voornamelijk kleine grasachtige soorten (' gracilis hybrids '). In 1921 ontving het soort Prince of the Netherlands een Award of Merit ( AGM van de RHS ).

Royal Standard die al in 1921 geïntroduceerd was (en nog steeds leverbaar) bleek gedurende een lange periode een zeer goed soort. In de veertiger jaren was de Nederlander Lubbe actief in de veredeling met soorten als Yellow Prince, Fireflame en de bekende Alcazar.

Prichard's introduceerde na de tweede wereldoorlog de bekende C.M. Prichard (nog leverbaar), deze wordt nogal eens verward met K. rooperi . Ook Prince Igor (1957 AGM ) is afkomstig van deze kweker (er blijken nu twee klonen in omloop te zijn, één ervan is identiek aan K. uvaria Nobilis , de echte Prince zou minder intens oranje van kleur zijn). Ik heb in 2007 én 2008 geen verschil kunnen zien.

In de jaren 50 was er een competitie gaande tussen de veredelaars van de grote brede pijlen en de elegantere smalle pijltjes (zoals Modesta en Buttercup ). Het kenmerk van Mr. Watkin Samuel of Wrexham pijlen was: ' clarity of colour, freedom of flowering and quality '. Soorten van zijn hand die nog steeds in productie zijn zijn Wrexham Buttercup en Samuel's Sensation (beide soorten werden begin 1980 nog onderscheiden voor de kwaliteit). Enkele kwekers sinds de jaren veertig: Slieve Donard (Gold Finch, Yellow Hammer), Coe off Norton Hall Nurseries (Buttercrunch, Lemon Ice), Blooms (triangularis typen zoals Bressingham ) en Beth Chatto (Little Maid en Green Jade) en Bob Brown van Cotswold Garden Flowers.

Het Kniphofia sortiment is gelukkig volop in ontwikkeling: nieuwe spannende kleuren en verlengde bloeiperioden maken de plant steeds populairder voor alle tuinliefhebbers. Door het verzamelen van soorten, uitvoeren van onderzoek, presenteren tijdens beurzen en het verzorgen van lezingen wil ik het gewas bij een grotere groep tuinbezitters en liefhebbers onder de aandacht brengen.

De Engelse naam Red Hot Poker en voorheen Torchlily (fakkellelie) verwijst naar de rode Kniphofia uvaria.

De vuurpijlen zijn in verschillende groepen onder te verdelen. Soorten met echte stelen ( caulescent = gestengeld) zoals K. caulescens en K. northiae , met al dan niet brede bladeren, in meer of meerdere mate groenblijvend of met grasachtig blad. Bladverliezende typen behoren vaak tot K. triangularis .

In 1985 is een uitgebreid onderzoek naar de herkomst en ontwikkeling van het gewas door ' plantsman ' Jane Taylor uitgevoerd. Van zo'n 600 cultivars zijn beschrijvingen getraceerd. Maar een klein deel hiervan is nu nog te vinden bij kwekers in Engeland en op het Europese vasteland.